Your browser does not support JavaScript!

Peter Paul Moormann, sectie Klinische en Gezondheidspsychologie, Universiteit Leiden

Wie ben ik?

Peter Paul Moormann is gepromoveerd in de sportpsychologie op het thema Figure Skating Performance. In de jaren negentig is hij bondscoach kunstschaatsen van de KNSB geweest. Momenteel is hij werkzaam bij de sectie Klinische en Gezondheidspsychologie aan de Universiteit Leiden, waar hij onderwijs in de persoonlijkheidspsychologie en psychodiagnostiek verzorgt. Daarnaast is hij voorzitter van de Vereniging voor Sport Psychologie in Nederland (VSPN) en verzorgt hij individuele mentale training voor sporters.

Welke specialisatie heb ik gevolgd?

Psychologie ben ik gaan studeren, omdat gedrag me fascineert, met name diergedrag, in het bijzonder vogels. Ik observeer graag. Eigenlijk wilde ik etholoog worden, maar daar was geen volledige opleiding voor in Nederland. Voor bewegingswetenschappen was ik uitgeloot. Ik heb nog een korte flirt gehad met de kunstacademie. Daar zat echter weinig toekomstperspectief in. Verder hield ik meer van figuratief (ik kan goed tekenen) dan van abstract en in de jaren zestig/zeventig spoorde je niet als je niet abstract wilde werken. Dat belerende beviel me niet, juist niet in kunst. Toen heb ik maar psychologie gekozen. Heb ik trouwens nooit spijt van gehad. Ik heb aan de Leidse Universiteit gestudeerd, functieleer en persoonlijkheidspsychologie (cum laude). Ik vond functieleer interessant, omdat het heel analytisch is. Ik miste echter het individu in de benadering van de mens en ik had kritiek op de reductionistische aanpak. Ook had ik er moeite mee dat emoties en motivaties in mijn studietijd als ruis afgedaan werden. Alleen cognities waren toen belangrijk. Verder vond ik de biologische kant van de psychologie erg interessant. Maar dat was 'not done', dat was reactionair, fascistisch en ongewenst in de flower power periode. Nu hoor je niemand hier meer over. Ik heb toen desondanks toch psychofysiologie als bijvak gedaan. Heel spannend allemaal. Ik ben toen nog een paar maanden practicumassistent geweest bij fysiologie. Fantastisch was dat. Alleen hield ik er niet van om dieren open te snijden. Vandaar dat ik die richting toch maar niet ben opgegaan. In de persoonlijkheidspsychologie heb ik mijn achterstand kunnen inhalen wat de individuele verschillen betreft. Ook de biologische kant kant kwam in de persoonlijkheidsleer goed aan bod. Ethologie heb ik als bijvak gedaan. Ik miste echter de informatieverwerking uit de functieleer. Ik heb toen deze zaken getracht te combineren. Vooral bij de interpretatie van individuele testresultaten op intelligentietests in de psychodiagnostiek. Hoe kun je testresultaten op de WAIS verklaren vanuit een informatieverwerkingsstandpunt? Dan kom je uit op stijlen van informatieverwerking en zit je welhaast automatisch op het gebied van de neuropsychologische diagnostiek, een volgend gebied waarin ik me heb bekwaamd. En zo kregen eigenlijk al mijn interessegebieden in de loop der jaren een plek binnen de psychologie. Een doctoraalscriptie over artistiek-creatieve stijlen bij tekenen en een promotie over mijn andere liefde: het schaatsen. Door mijn dissertatie kwam ik in de sportpsychologie terecht en door de mentale training beland je automatisch op het gebied van interventietechnieken, de klinische psychologie, waar ik nu werkzaam ben. Een balletje kan vreemd rollen. Hoewel, je zou bijna denken dat het gestuurd is, voorgeprogrammeerd is, biologisch bepaald.

Hoe is het om psychologisch onderzoek te doen?

Boeiend. Ik ben nieuwsgierig en wil graag uitzoeken hoe iets in elkaar zit. Ik houd ervan om zelf iets te bedenken, zelf een theorie te maken en deze te toetsen en bij te stellen. Als ik schaatsles geef heb ik dat nodig. Ik denk dat ik er veel voordeel aan heb gehad dat ik vanaf mijn vroege jeugd zo'n analytische sport als kunstschaatsen beoefend heb. Je leert in theorieen te denken.

Wat was mijn meest interessante onderzoek tot nu toe?

Ik denk mijn dissertatie. Ik heb een ouderwets, degelijk proefschrift geschreven, een boek en ik ben dus niet op artikelen gepromoveerd. De tijd zal uitwijzen of een boek minder is dan een paar artikelen. Ik denk van niet. Het is een breed onderzoek geweest over een onderwerp dat me fascineerde en dat nog nauwelijks onderzocht was. Het boek staat nu al als een soort collectorsitem op internet. Het leuke is dat ik er nu nog steeds op voortbouw. Vorig jaar heb ik samen met Rob Pijpers van Bewegingswetenschappen aan de VU het boek 'Scoren tussen de oren' geschreven over de theorie en praktijk van individuele mentale training. De theorie uit 'Scoren' is gebaseerd op het laatste hoofdstuk uit mijn proefschrift. Onlangs heb ik een secundaire statistische analyse gedaan op data uit mijn proefschrift. Ik vond dat ik er toen niet echt alles uit gehaald had. Nu krijg ik prachtige resultaten, die in een mooi plotje samengevat konden worden. Ik heb er een artikel over geschreven (Choreography styles in figure skating) en het opgestuurd naar het Journal of Creative Behavior. De reviewers waren zeer te spreken over het onderzoek. Het is geaccepteerd en het komt volgend jaar uit. Dit laat zien dat na meer dan 10 jaar de impact van een ouderwets proefschrift veel groter kan zijn dan sommigen van mijn vakbroeders wel eens suggereren.