De Russische fysioloog Ivan Petrovitsj Pavlov werd geboren in 1849.
Hij studeerde farmacologie en fysiologie in Sint Pietersburg. Later werd hij aan deze academie
hoogleraar. Bovendien deed hij veel onderzoek op het gebied van de geneeskunde.
Pavlov was vooral geïnteresseerd in het gedrag van mensen en dieren, in het bijzonder de
reflexen. Aangeleerd gedrag is de rode draad in zijn werk. Hij is met name bekend vanwege zijn
theorie over 'klassiek conditioneren'. Voor zijn grote bijdrage aan de wetenschap ontving hij een
Nobelprijs in 1904. Pavlov stief in 1936 in Rusland.
Pavlov was een behaviourist. Dit hield in dat hij zich alleen op gedrag richtte, omdat dit objectief
meetbaar was en gedachten dit niet zijn. Aantoonbaarheid en bewijsbaarheid waren de
sleutelwoorden in zijn werk. Het brein kan gezien worden als een zwarte doos ('black box'); een
doos waarvan niet bekend is wat zich binnenin afspeelt. Alleen het resultaat van de processen in
de doos, het gedrag, is relevant voor de wetenschap.
Pavlov richtte zich op automatische uiterlijke reacties, ook wel reflexen genoemd. Deze worden
veroorzaakt door prikkels van buiten af. Reflexen zijn aangeboren automatische responsen,
zoals knipperen met je ogen of de zuigreflex. Toch is reflexgedrag op een bepaalde manier te
manipuleren. Dit heet conditioneren. Hierbij wordt aan een persoon of dier een
ongeconditioneerde stimulus aangeboden. Deze stimulus heeft een reflex als gevolg. Tijdens het
aanbieden van deze ongeconditioneerde stimulus wordt ook een geconditioneerde stimulus
aangeboden. Dit proces wordt een aantal keren herhaald. Na verloop van tijd kan de
ongeconditioneerde stimulus worden weggelaten. Aanbieding van alleen de geconditioneerde
stimulus heeft dan de reflex tot gevolg. Dit proces lijkt erg ingewikkeld, maar in de onderstaande
proef wordt het duidelijk gemaakt. Deze proef heet ook wel 'de honden van Pavlov'. In vele van de
proeven werd gebruik gemaakt van dieren, onder andere omdat deze minder complex zijn dan
mensen.
Pavlov's invloed op de wetenschap was zeer groot, vooral op het behaviorisme dat zijn visie op
menselijk gedrag deelde. Zijn theorieën werden vooral belangrijk geacht op het gebied van de
ontwikkeling van kinderen.
De theorie van Pavlov leende zich bij uitstrek voor onderzoek in laboratoria. Veel experimenten
werden uitgevoerd met dieren. Het beroemdste experiment is het hierboven reeds genoemde
experiment met het conditioneren van honden.
De honden die meededen aan dit experiment kregen regelmatig een kleine hoeveelheid voedsel
aangeboden. Dit had als gevolg dat ze begonnen te kwijlen. In dit geval is het voedsel de
ongeconditioneerde stimulus en dit heeft een reflex tot gevolg, namelijk kwijlen. Tijdens het
aanbieden van het voedsel klonk echter ook steeds een neutrale stimulus, namelijk een harde
zoemer: de geconditioneerde stimulus. Dit proces van tegelijkertijd voedsel en zoemer
aanbieden met als gevoel het kwijlen van de hond werd een aantal keren herhaald. Na enige tijd
werd de ongeconditioneerde stimulus (het aanbieden van voedsel) weggelaten. Het gevolg was
verrassend. De overgebleven geconditioneerde stimulus (het klinken van de zoemer) had
hetzelfde gevolg bij de honden als het eten had. De honden gingen namelijk kwijlen bij het horen
van de zoemer, terwijl er geen eten werd aangeboden. Doordat het aanbieden van voedsel zo
vaak geässocieerd was met de zoemer, had alléén het horen van de zoemer na verloop van tijd
hetzelfde effect (kwijlen). Dit koppelen van een neutrale stimulus aan een reflex van een
ongeconditioneerde stimulus heet conditioneren.
Naast dit experiment van honden deed Pavlov meer onderzoek naar het conditioneren van andere
gedrag (bijvoorbeeld de manier van bewegen) en met andere dieren (bijvoorbeeld duiven).