De engelse natuurkundige Charles Darwin werd geboren in 1809. Hij studeerde geneeskunde
en theologie.
Na zijn studie begon Darwin aan een lange onderzoeksreis naar Zuid-Amerika met het schip
'Beagle'. Op basis van de bevindingen tijdens deze reis ontwikkelde hij zijn evolutietheorie. Zijn
bekendste werk is 'On the Origin of Species' waarin hij de evolutie van leven op de aarde
beschrijft. Zijn theorie was omstreden, omdat deze in contrast stond met het ontstaan van de
aarde volgens de leer van de kerk. Toch wordt deze theorie nog steeds gezien als één van de
belangrijkste uit de hedendaagse wetenschap.
Darwin overleed in 1882 en werd begraven in Engeland.
Volgens de evolutietheorie is al wat leeft, ontstaan door evolutie. Dieren en planten hebben zich
ontwikkeld uit voorgaande organismes.
Elke soort organisme heeft zijn eigen eigenschappen, waarvan elk lid een variatie van deze
kenmerken bezit. Alle mensen hebben bijvoorbeeld twee ogen, maar sommige hebben blauwe
en andere bruine ogen. Organismen kunnen door de loop van de tijd veranderen doordat
natuurlijke selectie plaats vindt. De omgeving beïnvloedt de overlevingskans van een lid van een
bepaalde soort. De overgeblevene zijn de ouders van de nieuwe generatie van deze soort en
geven hun genen (en dus hun kenmerken) door.
Voorbeeld: neem een bepaalde soort eenden, waarvan de helft alleen kan zwemmen en de
andere helft kan zwemmen en kan vliegen. Doordat ze in een gevaarlijk gebied leven, is het
belangrijk om snel te kunnen vluchten. Helaas kunnen de eenden die niet kunnen vliegen niet
tijdig vluchten, waardoor ze steeds door roofdieren in hun omgeving worden opgegeten. De
overgebleven, vliegende eenden krijgen kinderen. Hun genen worden zo doorgeven. Uiteindelijk
zullen er dus steeds meer eenden overblijven die ook kunnen vliegen.
Bepaalde eigenschappen kunnen dus verloren gaan en andere worden gehandhaafd of evolueren
zelfs. Spencer zou deze evolutie theorie later ook vanuit een sociale invalshoek bekijken, dit
noemde hij 'survival of the fittest'.
Tijdens de ontdekkingsreis van Darwin met het schip 'Beagle' kwam hij onder andere op de Galapagoseilanden, een eilandengroep bij Zuid-Amerika. Hier deed hij onderzoek naar de variaties tussen de vinken op de verschillende eilanden. De vogels leefden geïsoleerd van elkaar, waardoor onderzoek goed mogelijk was. Darwin merkte op dat er bepaalde eigenschappen waren die vinken op het ene eiland niet hadden en op het andere eiland wel. De vinken op het eiland waar alleen noten, zaden en andere harde soorten voedsel waren te vinden hadden bijvoorbeeld een puntige harde snavel ontwikkeld. Op het eiland waar veel bessen waren te vinden hadden de vogels juist brede en stompe snavels. Darwin vond nog veel meer variaties van eigenschappen. De vogels die in het begin gelijk aan elkaar waren hadden zich in de loop van de tijd ontwikkeld. Doordat de vinken zich aan de verschillende omgevingen op de verschillende eilanden hadden aangepast en doordat ze geïsoleerd leefden, konden de soorten evolueren. De genencombinaties die in de omgeving het sterkst bleken hadden meer kans om te worden doorgegeven, zodat bepaalde kenmerken op het ene eiland wel waren te vinden en op andere eilanden juist niet.